Ga naar de inhoud
Terug naar alle artikelen

“Ik dacht dat het mijn beste vriend was, maar het bleek mij langzaam van binnenuit op te vreten.”

ARFID

Als klein meisje was ik vooral bezig met het ontdekken van de wereld om me heen. Tijd voelde voor mij kostbaar. Het liefst besteedde ik die tijd aan avonturen beleven en het zorgen voor andere kinderen, vaak jongere kinderen die het moeilijker hadden dan ik. Mijn eigen eten nam ik stiekem mee naar buiten om aan hen te geven. Zelf hoefde ik niet te eten. Het zien van andere kinderen die lachten en gelukkig waren, maakte mijn dag beter. Omdat ik tijd zo waardevol vond, begon ik eten te zien als tijdverspilling. Honger had ik zelden. Eén koekje was voor mij vaak al genoeg. “Ik zit vol,” zei ik tegen mezelf, een zin die steeds vaker mijn gedachten binnendrong. Bij elke eetgelegenheid at ik weinig tot niets. “Ik zit vol,” herhaalde ik dan in mijn hoofd. Zo raakte ik eraan gewend om nauwelijks te eten. En eerlijk gezegd vond ik dat helemaal niet erg. Sterker nog, ik kreeg zelfs complimenten: “Wat ben je mooi slank.” Maar wilde ik wel slank zijn?

Maar na verloop van tijd begon mijn lichaam het zwaar te krijgen. Het werd steeds vermoeiender om anderen te helpen, iets wat ik altijd met liefde had gedaan. Want zolang je niet voor jezelf zorgt, wordt zorgen voor een ander steeds moeilijker. Na jarenlang anderen geholpen te hebben, wist ik: het is tijd om mezelf te helpen. Ik wist diep vanbinnen dat ik een eetprobleem had. Mijn omgeving dacht aan anorexia, maar ik voelde dat het iets anders was. Iets wat ik eerst moest begrijpen. Want door niet of nauwelijks te eten, had ik het gevoel dat iets mij langzaam van binnen opvrat, iets wat ik niet kon benoemen.

Mijn zusje kende een plek waar mensen met eetstoornissen worden behandeld: Co-eur. Via de huisarts werd ik daarheen doorverwezen. Het eerste gesprek daar ging over mijzelf, een onderwerp dat ik moeilijk vond. Maar bij de zorgverleners van Co-eur voelde ik iets wat ik al die tijd had gemist: waardering. Alleen al het feit dat ik na al die jaren eindelijk om hulp durfde te vragen, gaf me kracht. Eindelijk waren er mensen die míj zagen. Uit de intake bleek dat ik de eetstoornis ARFID had en geen anorexia. In die diagnose kon ik mijzelf wel volledig herkennen want ik was helemaal niet bang om dik te worden, ik wilde juist voller zijn. Maar meer en gevarieerder eten lukte me niet vanuit de angst voor al het onbekende eten, de structuur van eten en de angst voor kokhalzen en overgeven. Het enige wat ik op dat moment dacht, was: “Na al die jaren van vriendschap wil ik dat je weggaat. Je vreet me op, van binnen en van buiten.” Later hoorde ik wie mijn behandelaar zou worden. Toen ik haar ontmoette, begon ik te twijfelen: “Moet ik hiermee doorgaan? Ze is wel erg direct…”

Toch voelde ik diep vanbinnen dat dit precies was wat ik nodig had: iemand die niet in de negativiteit blijft hangen, maar die bereid is met mij te vechten tegen de ARFID. Tégen mijn eetstoornis.

De behandeling duurde langer en was zwaarder dan ik had verwacht. Maar dankzij mijn therapeut voelde ik telkens weer de motivatie om door te gaan. Na een paar maanden begon ik vooruitgang te boeken. Ik leerde gevarieerder eten, smaken leerde ik herkennen, ik wende aan het gevoel van bepaalde structuren in mijn mond en ik kreeg meer energie. Ik besefte hoeveel invloed de ARFID op mijn leven had gehad. Ik wilde de controle terug. Dankzij de sessies, theorie, praktijkopdrachten én steun, ben ik nu mijn eigen therapeut geworden. Ik zie het leven positiever en ik verlies mezelf niet meer uit het oog. Mijn jongere ik zou me misschien arrogant noemen, maar mijn huidige ik noemt het ontwikkeling: iets wat ik al veel eerder had mogen doormaken. Soms voel ik nog een terugval opkomen, maar ik zal alles op alles zetten om niet terug te glijden.

Het laatste gesprek met mijn therapeut zal ik nooit vergeten. Ik stapte de lift in. Ze zei dat ze zou buigen zodra de deuren dichtgingen omdat ik mijn eigen therapeut was geworden. En dat deed ze. De deuren sloten, de lift ging naar beneden. Het enige wat ik dacht, was: “Vaarwel, Mariëlle. Vaarwel, ARFID.”

Daarna ging ik lunchen. Ik at een groot, lekker broodje. En dit keer zei ik, met een glimlach: “Ik zit vol.”

 

Wat Gülsen jou als lezer wil meegeven:

Denk aan jezelf. Eten is brandstof en zonder brandstof kun je niet goed functioneren. Hulp zoeken bij een eetstoornis is moeilijk. Dat weet ik als geen ander. Toch is dit het beste wat je voor jezelf kunt doen. Alleen al de stap zetten om hulp te zoeken, maakt je ongelooflijk moedig. De weg naar herstel is zwaar, maar je hoeft hem niet alleen te bewandelen. Er zijn professionals die je begeleiden in dit proces. Begeleiden, want uiteindelijk ben jij de enige die jouw eetstoornis kan verslaan. Je hebt lang genoeg geprobeerd te overleven. Gun jezelf nu het leven. Ik geloof in jou, maar nog belangrijker: geloof in jezelf.